Welkom op de Waterslager website van Jan van den Brink



KLEURVERERVING.

Dit artikel is in april 2007 verschenen in het bondsblad van de ANBVV.
 

Vaak wordt gedacht dat het bezit van waterslagers alleen maar gericht is op de zang. Ook onder de waterslagerliefhebbers komt deze gedachte nog wel eens voor. Nu is het zo dat de zang nogal wat aandacht vraagt.  We denken dan aan hetgeen we horen in de zang van de mannen.  Dit is deels bepalend voor de zang van de jongen. Ook de zangafrichting kost tijd en heeft daardoor soms een negatieve beeld bij de andere vogelliefhebbers. Er komt voor de waterslagerliefhebber  echter meer bij kijken dan alleen maar de zang. Daarom wil ik de volgende stelling neerzetten:


De kleurvererving is ook van belang voor de waterslagerkweker! 


We denken dan al gauw aan het samenstellen van de ouderparen. Dit vraagt een nauwgezette administratie. Naarmate we langer in deze tak van sport meedraaien is het een leuke bezigheid. Het houdt echter niet op om hierbij allen naar de zangprestaties te kijken. Andere factoren spelen een belangrijke rol. U raadt het al : erfelijke factoren.


In dit artikel wil ik de aandacht vragen voor de erfelijke zaken zoals we die ook bij de waterslagers tegenkomen. Met name de kleur is een gegeven dat de aandacht vraagt. De meeste waterslagers zijn geel van kleur. Het is noodzakelijk om als waterslagerkweker  naar de kleur te kijken. Een gele kleur heeft een bepaalde intensiteit. Is de kleur feller dan is het een intensieve vogel. Is de kleur minder fel dan is het een halve intensieve vogel. Een fletse, gele kleur, de lichtgele kleur,  is een duidelijke schimmel vogel. Dit heeft o.a. te maken met de bevedering. De schimmel vogels hebben een dikkere bevedering dan de intensieve vogels.


Vaak is het zo dat de man intensief van kleur is en de pop minder intensief. Dit is niet altijd zo. We dienen hier op te letten. We horen een intensieve altijd te paren aan een schimmel. Een schimmel is een lichtgele vogel. Het maakt hierbij niet uit welke de man of de pop is. Wanneer we intensief maal intensief paren dan komt er nog een factor bij: de lethaal factor. Lethaal wil zeggen: dat de factor dodelijk is voor de kiem in het ei. Dit betekent dat er geen jong uit het ei komt.  Na berekening blijkt dat dit voor 25% van de eieren geldt.  Je hoort soms de opmerking dat deze regel niet zou gelden wanneer de waterslager bontvorming bezit. Dit berust op een misverstand. De hoofdkleur is geel. Een beetje bontvorming is hierop niet van invloed. Ook in een ander opzicht is het niet verstandig om steeds maar weer de intensieve waterslagers  bij elkaar te zetten. Dit is niet goed voor de bevedering. Deze wordt dan dunner. Zetten we wel 2 intensieve vogels bij elkaar, let dan op de bevedering. Wanneer ze goed zijn bevederd dan is de paring wel goed. De voorkeur gaat uit naar een paring van intensief maal niet-intensief. Hierbij worden de intensieve waterslagers niet te dun bevederd en de niet-intensieve waterslagers niet te dik bevederd.


Een leuke bijkomstigheid is dat er ook witte waterslagers zijn. Dit is de dominant witte kleur. Wanneer er in dit artikel over wit wordt gesproken dan heb ik het steeds over dominant wit. Vroeger werd dit ook wel duits wit genoemd. Het is eens wat anders in een volière met gele waterslagers. Ik geniet altijd weer van een aantal witte waterslagers. Niet elke waterslagerliefhebber is gecharmeerd van de witte kleur. Soms is men de mening toegedaan dat de waterslager geel behoort te zijn. Misschien is daar ook wat voor te zeggen. Anderen vinden de kleur lastig omdat er nog meer rekening gehouden dient te worden met het samenstellen van de ouderparen. Er komt nogal wat bij kijken. Bij een paring van wit maal geel is 50 % van de jongen wit en de andere 50% van de jongen is geel. Verder is de vererving dat een gele waterslager alleen geel verervend is en is daardoor dan ook zuiver verervend. Dus niet in het bezit van de wit factor.


Elke dominant witte waterslager heeft naast de witfactor ook de eigenschap van geelaanleg in zich. Dit is zichtbaar in de gele aanslag van de vleugels. Ze vererven onzuiver, zoals dat zo mooi genoemd wordt en zijn daardoor heterozygoot. Een paring van dominant wit maal dominant wit levert in het nageslacht 25% gele jongen op. Dit komt doordat van de beide oudervogels de geelfactor wordt gebruikt. De gele jongen zijn dan weer zuiver verervend.


Ook bij een paring van wit maal wit speelt de lethaal factor een rol. Ook hier geldt dat 25% van de eieren niet uitkomt. Er komen 2 dominante factoren bij elkaar die homozygoot worden genoemd en niet levensvatbaar is. Dus samenvattend: Het jong sterft af in de kiemcel-fase en komt niet verder tot ontwikkeling. Homozygoot dominant witte kanaries bestaan dus niet. We dienen ons te realiseren dat bij het verkeerd samenstellen van de ouderparen er een lager aantal jongen wordt geboren. Logisch dat de berekening in de praktijk dichter bij de theorie ligt wanneer de uitkomsten worden gemeten aan de hand van een groter aantal nesten. In de praktijk betekent dat voor ons dat de verhoudingen nogal eens afwijken van de theorie omdat wij met kleine aantallen kanaries kweken. Ooit heb ik eens een jaar gehad met zeer veel witte jongen.Voor het kweekjaar daaropvolgend wordt het dan moeilijker om de ouderparen van wit maal geel samen te stellen. Alleen al om deze reden kunnen we niet teveel witte mannen inzetten bij de kweek. De praktijk wijst uit dat mannen, die eenmaal in de schema’s passen en zich hebben bewezen door de nakomelingen, vele jaren kunnen worden ingezet. Doordat bij de paring van wit maal geel 50% van de jongen geel is en daar weer 50% ook nog een man is, blijven er getalsmatig niet zoveel gele poppen over om terug te paren aan de witte (stam-) vader.


Een ander nadeel van witte waterslagers is dat men niet direct aan de kleur kan zien of het een pop of een man is. Men is dan aangewezen op het observeren van de vogels. Het zingen van de jonge mannen geeft dan de doorslag.  Voornamelijk wanneer ze doorzingen.


De erfelijkheidsleer zoals wij die bij de waterslagers aanhouden komt voort uit de regels van Mendel. Deze monnik heeft vroeger experimenten uitgevoerd met o.a. erwten. Aan de hand van de uitkomsten van kruisingen van erwten en de daarbij gemaakte conclusies zijn er toen  erfelijkheidsregels zichtbaar geworden die nu nog steeds als basis dienen en bepalend zijn voor de wijze waarop wij  nu nog te werk gaan. Al of niet bewust. Van de hand van dhr. Weijling zijn boeken verschenen met een uitvoerige beschrijving van deze regels. Veel schema’s geven een uitgewerkt en gekleurd beeld van wat er gebeurt wanneer we bepaalde ouderparen met hun kleur samenstellen.  Het voordeel van de theoretische kant van het houden van vogels is dat we nu in staat zijn om mutaties vast te leggen en nieuwe kleuren te behouden omdat we nu door het toepassen van de regels, door bepaalde kanaries te laten paren, de kleuren vast kunnen houden. Het is zelfs mogelijk om een oranje waterslager te kweken wanneer we hiervoor de werkwijze van de juiste schema’s toepassen in onze vogelliefhebberij. Het wordt wel gemakkelijker wanneer dit door meerdere liefhebbers wordt toegepast. Zelf beschouw ik de boeken van Weijling als mooie naslagwerken die zowel voor de kleur-  als zangkweker zijn uitgegeven. Ik heb beide boeken. Ze worden regelmatig op Marktplaats aangeboden voor vaak schappelijke prijzen.  Dus makkelijk aan te schaffen.


Met vr. sportgroet, J. van den Brink.

Mede mogelijk gemaakt door: Dora spelletjes racespelletjes